Boven ABC (Femke Mooij)
Foto's Indian Himalaya Expedition 2001

Verslag van de beklimming van Jogin 1 en 3

Na een vermoeiende rit per jeep, waarbij we met 9 man (!) 10 uur lang opgevouwen tussen onze bagage zaten, kwamen we in Uttarkashi aan. Hier bleek dat Jos behhorlijk ziek was geworden, maar gelukkig knapte hij ook weer snel op. De dag erna reden we in 5 uur door naar Gangotri, de heilige stad vlak bij de oorsprong van de Ganges. Het was een schitterende rit, door bergen begroeid met tropische planten en bomen en langs de kloof waardoorheen de Ganges zich probeert te persen. Wederom zaten we in een jeep, maar het bleek dat er zelfs wel 10 mensen in pasten. In Gangotri troffen we de dragers. Zes hadden we er nodig om alle spullen die we zelf niet konden dragen voor ons in twee dagen naar het basiskamp te sjouwen.

De eerste dag stegen we vanuit Gangotri (3200) naar een hoogte van 4200 meter. Het was een zware klim, omdat we toch nog altijd meer dan 20 kilo droegen en omdat de zon ongenadig scheen. Gelukkig waren we al geacclimatiseerd, anders hadden we ook nog last gehad van de hoogte. Helaas bleek bij aankomst op de bivakplek dat de branders het niet deden. We hadden de verkeerde brandstof bij ons, wat ervoor zorgde dat Arnaud en Joep 1000 meter moesten afdalen om andere brandstof te gaan kopen. Voor de achterblijvers was er geen avondeten. Gelukkig maakten de dragers van wat verzamelde keutels en takjes een vuur, zodat we wel wat soep konden bereiden. Deze deelden we uiteraard dankbaar met de dragers, die overigens als onderkomen een soort grotje hadden gevonden. ‘s Avonds rookten we biri met ze (een soort Indiase sigaretjes) en ze lieten ons medicinale kruiden zien die in de buurt groeiden.

De volgende dag liepen we naar het basiskamp op 4800 meter. Het bevond zich aan een heilig meer, Kedartal genaamd. Onderweg kwamen we langs twee herders en onze liaison officer (iemand die controleert of je wel de juiste berg beklimt en of je geen problemen veroorzaakt met buurlanden) besloot om gedurende de expeditie bij hen te blijven logeren. Zij konden ten minste Indiaas voor hem koken. We richtten het basiskamp in en Bart en Jos maakten van stenen en plastic een heuse keukentent. Dag 3 en 4 waren rustdagen, waarop we onze kleren wasten (die nog vies waren van Ladakh), nog overgebleven spullen uit het tussenkamp omhoog sleepten, Arnaud en Joep verwelkomden (met benzine en een Indiaase brander) en een verkenningstochtje maakten. Ook werden we bezocht door een vijftal swami’s (heilige mannen), die een aantal rituelen uitvoerden, zoals vuur maken, bidden, roken, offeren aan het meer en wassen. Ze dronken thee in onze keukentent en gingen ‘s middags weer weg.

Op dag 5 bleek het weer niet geweldig te zijn, maar we besloten toch om naar kamp 1 te gaan op 5050 meter. We liepen 4 uur over morene en vonden uiteindelijk een geschikt plekje om onze tenten op te zetten. Wel moesten er eerst een paar steentjes verwijderd worden (een paar ter grootte van een kleine koelkast) om een plateautje te maken voor de twee- en vierpersoonstent die we meegenomen hadden. Joep liep nog eens op en neer tussen basiskamp en kamp 1 om een tweede lading spullen op te halen.

Dag 6 werd gebruikt om nog wat klimmateriaal op te halen uit het basiskamp. Ook maakten twee teams verkenningstochten in twee verschillende richtingen, omdat we niet helemaal zeker waren wat de beste route zou zijn. Joep en ik beklommen daarbij een gletsjerplateau met hoge seracs (ijstorens) richting Jogin 2. Toen we door het doolhof van seracs en gletsjerspleten liepen, brak er twee keer een stuk uit waar we net overheen kropen. We konden er nog net vanaf springen en geschrokken zagen we hoe de stukken ijs in een diepe gletsjerspleet vielen. Hangend aan mijn pickel besefte ik dat de Jogins geen ongevaarlijke bergen waren en dat ik wel heelhuids terug wilde komen. De vorige dagen hadden we alleen nog langs afgronden gelopen en wat steenlawines gehoord ver weg, maar nu begon het echte werk. We moesten naar mijn idee op onze hoede zijn en ons er echt klaar voor voelen, wilden we deze berg gaan beklimmen…..

Terug in kamp 1 bleek dat Arnaud en Jos op hun verkenningstocht aan de overkant van de gletsjer op een ijswand waren gestuit en aangezien het niet duidelijk was of we daardoor zouden komen, was nader onderzoek nodig. We besloten om ons boeltje op te pakken en het hogerop te zoeken richting “hun” route. Op dag 7 staken we de gletsjer over en na dat we snel door een steenslaggevaarlijk stukje geklommen waren, stonden we voor de ijswand. Van een afstandje leek hij onbeklimbaar (door ons, althans), maar nadat Joep en Arnaud waren gaan kijken, bleek toch dat het waarschijnlijk te doen was. We besloten om het erop te wagen, hoewel we niet wisten wat we erboven tegen zouden komen. Het ijswandje (100 meter) bleek mee te vallen, maar daarboven bevond zich een gebied wat steil was en waar veel spleten zaten. Thijs ging voorop en met gebruik van zijn pickel en zijn nieuwe ijsbijltje leidde hij ons perfect door de spletenzone heen. We waren na de hele dag geklommen te hebben wel gespannen of we een kampplek zouden kunnen vinden, maar na enig zoeken vond Arnaud uiteindelijk op 5860 meter een mooie plek waar geen gevaarlijke spleten zaten. We maakten een plateau voor de tenten in de sneeuw en Jos zorgde voor de catering door een heerlijke gevriesdroogde maaltijd voor ons “op tafel” te zetten. We keken nog even naar een prachtige zonsondergang, waarbij de naast ons liggende bergen- zoals de Thalay Sagar- rood kleurden en sliepen hierna moe, maar voldaan in.

Op dag 8 stonden we om 8.00 op. Het was een stralende ochtend en we gingen voor de top. Om een aantal redenen werd die op deze dag niet gehaald; We hadden de vorige dag erg veel van onze lichamen gevergd en daarom stonden we niet vroeg genoeg op. Verder hadden we niet zo heel goed geslapen, dus we vorderden niet snel toen we naar boven liepen. Ook waren er veel spleten, soms wel 15 meter breed en honderden meters lang, zodat we veel tijd nodig hadden om een goede en veilig route te zoeken. We maakten de afspraak om uiterlijk om 14.30 terug te keren, top of geen top. Naarmate we hoger kwamen, zagen we Jogin 1 beter en mijn buik borrelde van spanning toen ik zag hoe dichtbij hij leek. Toch werd op een gegeven moment duidelijk dat we de top niet meer zouden bereiken vandaag, of we zouden onze tijdsafspraak moeten verbreken…Dit leek ons geen goed plan, aangezien er in de bergbeklimgeschiedenis voorbeelden te over zijn van ongelukken die hierdoor gebeurd zijn. Ook kon ons eigen gezonde verstand bedenken dat er meer lawinegevaar komt naarmate de dag vordert en de sneeuwbruggen worden er ook niet steviger op als er de hele dag zon op staat. Uiteindelijk beklommen we die dag wel een klein topje, waarvan we denken dat het Jogin 3 geweest moet zijn. De hoogtemeter gaf ongeveer 6100 meter aan en er was geen andere top in de buurt die anders Jogin 3 had kunnen zijn. Toch was het een klein beetje een teleurstelling, aangezien we een echte duidelijke top verwachtten. Na de nodige top- en sponsorfoto’s keerden we snel weer terug naar de tent, vastberaden om hier morgen weer te komen om dan verder te klimmen naar Jogin 1.

Op dag 9 stonden we vroeger op, om 5.00 dit maal. Na een snel ontbijt (het vroor nogal hard) gingen we op weg. Deze keer wisten we de weg (ons spoor lag er nog) en ook de spleten hielden ons niet lang op. Op de col op 6100 meter, vlak bij de Jogin 3(?) maakten we een depot. Touwen hadden we vanaf hier niet meer nodig (of is zelfs gevaarlijk) en wat andere zwaardere spullen werden ook gedropt. Vanaf hier ging een graat omhoog, langs wat rotsjes naar de top. Het weer was al minder goed aan het worden, hoewel we vanaf de col nog wel wat blikken naar de andere kant van de berg konden werpen. We besloten om voor de veiligheid in tweetallen te klimmen, voor het geval er iemand niet goed zou worden door hoogteziekte of om een andere reden terug zou moeten gaan. Gelukkig ging alles goed en om 12.00 bereikten we, na een behoorlijk steil stuk ijsklimmen, niet al te ver uit elkaar, de top. 6455 meter !!!! Daar stonden we dan na 1,5 jaar voorbereiding. Er ging wel even iets door ons heen op dat moment. Felicitaties werden uitgedeeld en natuurlijk kwam de KNAV-vlag ook nog even uit de rugzak. Ook aan de sponsoren werd nog even aandacht besteed alvorens we de top verlieten. Iedereen was er danig van doordrongen dat er ook nog een weg terug te gaan was en dat we ons pas echt een jubelstemming konden veroorloven als iedereen veilig beneden was. Op de ijswand gleed Joep dan ook nog eventjes uit, om zo bijna zijn stijgijzers in Bart zijn hoofd te parkeren. Gelukkig wist Bart aan de kant te springen en zo Joep te ontwijken. Uiteindelijk zijn we vrij snel afgedaald tot de tenten, waarna nog even werd gekeken wat de beste route terug zou zijn voor de volgende dag.

Als afdaalroute werd toch dezelfde weg als de heenweg gekozen, omdat deze het veiligst leek. Hoewel we de volgende ochtend verrast werden door een pak verse sneeuw, wisten we toch de juiste route terug te vinden door het spletengebied, zij het met gespannen zenuwen en aan touw deze keer. Bij het steilste stuk legden we vast touw aan, zodat als er iemand zou vallen, hij niet de hele touwgroep mee zou nemen. 3 touwen werden gebruikt en eenmaal halverwege het ijswandje was het veilig genoeg om zonder touw af te dalen. We liepen naar de plek van kamp 1 om een daar achtergelaten depot op te halen en uiteindelijk kwamen we weer “thuis” in het basiskamp aan. De tenten waren blijven staan, dus we konden na het eten zo onze tent in. Heerlijk na zo’n uitputtende en spannende dag.

Op de laatste dag liepen Arnaud, Joep, Thijs en ik, na een rustdag, in een keer vanaf het basiskamp naar Gangotri. We droegen de overgebleven spullen. Jos en Bart waren de vorige dag al naar beneden gelopen om de twee herders te vragen of zij als drager wilden fungeren en zij waren daarna meteen doorgelopen naar het dal. De herders wilden dit in ruil voor geld en een aantal spullen van ons, wat ideaal was omdat we deze dan niet meer hoefden te transporteren. Uiteindelijk liep iedereen toch nog met een te zware rugzak, wat voor mij resulteerde in pijnlijke knieen. We liepen er 4,5 uur over. Ondanks de zware rugzak en de pijn genoot ik van de wandeling. Op 4500 meter begon ik allerlei kruiden weer te ruiken en de geur van de dennenbomen kwam me al tegemoet. Dit maakte het tot de het lekkerste tochtje van de expeditie, naast het besef dat alles goed gegaan was de trots op wat we bereikt hadden.

Femke


© 2008 Tekst & Foto/film: Thijs Horbach en Femke Mooij